Gepubliceerd op 17 november 2009

Verslag 'Heeft het zin om aardig te zijn?'

Wakker Worden kinderlezing door dr. Martijn Egas

Doe jij wel eens iets aardigs?

Tekst: Edda Heinsman
Fotografie: Hanne Nijhuis

Met de Sint in het land en het risico cadeautjes mis te lopen is iedereen op zijn zoetst. Maar heeft het verder zin om aardig te zijn? Daarover gaat vandaag in Nemo de Wakker Worden kinderlezing door dr. Martijn Egas, populatiebioloog aan de Universiteit van Amsterdam.  

Met Sinterklaas heeft Egas meteen een goed voorbeeld van een aardig persoon te pakken. En in een volgende afbeelding die hij toont herkennen veel kinderen Sint Maarten. 'Die was ook aardig, hij gaf de helft van zijn mantel aan een bedelaar' weet een jongetje.

Maar je hoeft geen heilige te zijn om een goede daad te verrichten. 'Ik haal geld op voor het goede doel' vertelt een meisje trots. 'Want de kinderen in arme landen hebben ook recht op speelgoed en kleren en een mooi leven'. De kinderen komen nu allemaal met voorbeelden van wanneer ze zelf aardig zijn: kinderpostzegels verkopen zodat kinderen in arme landen naar school kunnen. Meelopen in een sponsorloop. Loten verkopen voor de grote clubactie. En natuurlijk karweitjes zoals de boodschappen doen, tafel dekken, de vaatwasser uitruimen, helpen met koken of op je broertje passen. Een meisje is lid van kids for animals. ‘Die helpen de dieren'. Dat vindt de bioloog natuurlijk interessant. Maar hoe ze de dieren precies helpen weet het meisje niet, ‘Ik ben ook nog niet zo lang lid.'

Altruïsme

Aardig zijn wordt ook wel altruïsme genoemd, zegt Egas. En hoe altruïstisch je bent, hangt af van hoe veel moeite je ervoor moest doen. Dat ene broodje weggeven waar je toch al geen zin meer in had, is niet zo altruïstisch. Maar de brandweer die zijn eigen leven op het spel zet, is heel altruïstisch.

Egas onderzoekt altruïsme vanuit evolutionair oogpunt. Om een idee te geven hoe die evolutie werkt, laat hij een foto van een giraffe zien. Waarom heeft die zo'n lange nek? Zodat hij de blaadjes bovenin de boom kan opeten, waar niemand anders bij kan. En een meisje weet te vertellen dat ons stuitje nog een restje is van de staart. Dat klopt volgens Egas, hoewel er nog geen fossiel van gevonden is.

‘Maar kan het dan ook dat chimpansees over een paar miljoen jaar op de eerste mensen gaan lijken?', wil een jongetje weten. Dat vindt Egas moeilijk te voorspellen. ‘We zijn goed in het verklaren van dingen die al gebeurd zijn, maar iets zeggen over de toekomst is lastig. Het is goed mogelijk dat de chimpansee dan is uitgestorven en er een heel nieuw ras bestaat. Of dat ze net als mensen meer rechtop lopen.'

Tijd voor het onderzoek van Egas. Zijn dieren ook aardig voor elkaar? Misschien kunnen we daarvan leren waarom wij mensen dat ook zijn. Egas heeft een paar filmpjes meegenomen als voorbeeld. In de eerste zien we een soort marmotten, ook wel grondeekhoorns, die in familiegroepen leven. Bij gevaar verschuilen ze zich in holen in de grond. Er staan er altijd een paar op wacht, die letten op of er geen rover aan komt. Plots verschijnt er een lynx, groot gevaar dus de wachter slaakt een kreet. Alle marmotten sprinten naar hun holletjes en de lynx blijft verbaasd achter. Dit is volgen Egas een duidelijk voorbeeld van aardig zijn. Er zijn er een paar op uitkijk, dat is fijn voor de rest van de groep, die hoeven niet op te letten. Maar de gillende marmot richt wel de aandacht van de lynx op zichzelf. Die is dan ook meestal de pineut als het misgaat.

Nu pakt iedereen de rode en groene kaartjes erbij, die zijn uitgedeeld. Je steekt rood in de lucht als je denkt dat het een paar marmotten zijn die de hele tijd op wacht staan, en groen als je denkt dat ze allemaal om de beurt opletten. De meeste kinderen steken rood omhoog. Een jongetje legt uit waarom: hij denkt dat de mannetjes op wacht staan en de vrouwen eten zoeken. Niet gek gedacht volgens Egas, vrouwtjes moeten meer eten als ze jongen krijgen. Als Egas vervolgens vraagt of iemand met een groen kaartje uitleg kan geven, houdt ineens niemand meer groen omhoog. En dat terwijl groen goed was! Marmotten staan allemaal om de beurt op wacht. Eén meisje is het er niet helemaal mee eens. Want er zijn toch ook babymarmotten, en die staan niet op wacht. Egas moet toegeven dat ze gelijk heeft. Zijn uitleg voor het aardige gedrag van de marmotten is dat ze allemaal familie van elkaar zijn. De broertjes, zusjes, neefjes en nichtjes hebben allemaal hetzelfde erfelijk materiaal.

Dr. Martijn Egas tijdens de kinderlezing

In een volgend filmpje laat Egas een ander voorbeeld zien. We zien een kudde buffels en een afgedwaalde buffel die wordt aangevallen door een paar leeuwen. Wat doet de kudde? De kinderen moeten opnieuw kiezen met hun kaartjes. Groen als je denkt dat de kudde weg rent, rood als je denkt dat de kudde de afgedwaalde buffel gaat helpen. De meeste kinderen steken rood omhoog en dat is goed. De buffels rennen met z'n allen op de leeuwen af, die zich vervolgens uit de voeten maken. Dat is de kracht van de massa, legt Egas uit. Omdat de buffels met zoveel zijin, maken de leeuwen geen schijn van kans meer.

Goede buren

Egas toont nu een filmpje over vampiervleermuizen. Die zuigen bloed van grote zoogdieren: koeien, paarden of ezels. Ze gaan op een ezel zitten, bijten met hun tanden een stukje huid open, spuiten er speeksel in en de ezel begint te bloeden. De vleermuizen eten alleen ‘s nachts, het filmpje van Egas is heel donker. Maar hij vertelt erbij wat je ziet. Een vleermuis probeert in de poot van de ezel te bijten, maar de ezel heeft het door en trapt hem weg. Het lukt de vleermuis niet om bloed te drinken, dus hij heeft veel honger als hij in de grot terugkeert. Zijn buurman die wel genoeg had gegeten, spuugt dan wat bloed in de bek van de hongerige vleermuis. Hartstikke aardig. Dat doet de vleermuis omdat hij misschien in de toekomst ook wel een keer hongerig is en dan ook bij een buurman aan wil kunnen kloppen. 'Beter een goede buur dan een verre vriend', zegt Egas.

Roos telt haar snoepjes tijdens het experiment.

Snoep verdelen

Egas onderzoekt ook bij mensen waarom ze aardig zijn. Dat doet hij door ze spelletjes op de computer te laten doen. Nu heeft hij twee vrijwilligers nodig. Bijna alle vingers gaan omhoog. Twee meisjes - Roos en Dewi - moeten aan een tafel zitten. Normaal doet Egas dit experiment met volwassenen en dan gaat het om geld. Maar vandaag doen we het met snoepjes. Egas benadrukt nog eens dat de meisjes elkaar waarschijnlijk nooit meer zullen zien. Hij neemt tien snoepjes en geeft ze aan Roos, Dewi krijgt niks. Roos mag kiezen wat ze met de snoepjes doet. Ze geeft er vijf aan Dewi, anders vindt ze het niet eerlijk.

Het tweede experiment is lastiger. Roos krijgt weer tien snoepjes en mag zelf weten hoeveel ze aan Dewi geeft, maar als Dewi het er niet mee eens is dan krijgen ze allebei niks. Weer geeft Roos de helft van haar snoepjes weg. En Dewi is het er mee eens, dus ze mogen ze allebei houden.

De meeste kinderen geven aan dat ze eerlijk zouden delen. Maar een paar jongens zijn het er niet mee eens. ‘Ik zou er drie geven aan de ander. Want dan heeft diegene toch wat, en dat is beter dan niks.' Een ander zou er vier geven, drie vond hij net te gierig, maar met vier zou die ander toch ook wel tevreden zijn. Egas vertelt dat grote mensen in het eerste spelletjes meer zelfzuchtig zijn dan Roos. Ze houden alles zelf of geven er misschien eentje weg. En in het tweede geval zouden volwassenen als ze op Dewi's plaats zitten het geld weigeren als ze niet meer dan een kwart van het totaal kregen, in dit geval dus drie snoepjes.

Roos vraagt of ze haar snoepjes ook mag opeten. Natuurlijk mag dat. Egas herhaalt nog even wat de hoofdpunten waren: aardig zijn noem je altruïsme en hoe meer moeite het kost hoe altruïstischer. Altruïstisch gedrag is evolutionair verklaarbaar: families, buren of kuddes willen hun eigen genen doorgeven. En om onderzoek te doen naar dit gedrag bij mensen maakt Egas gebruik van spelletjes. Dan is de lezing afgelopen, maar wat gaat Egas doen met die hele bak snoep die over is? Gelukkig, hij houdt het niet voor zichzelf alleen: iedereen krijgt een snoepje. Toch aardig!

Bron: Afdeling communicatie FNWI