Gepubliceerd op 18 december 2008
De zaal in science center NEMO zit stampvol mensen; het zijn jongens en meisjes, ze zijn groot of klein, hebben een flinke bos krullen of zijn juist kaal. Dr. Hans Breeuwer, evolutiebioloog aan de Universiteit van Amsterdam, legt hoe dit zit: waarom is iedereen anders? Breeuwer begint met een aantal plaatjes waarvan de kinderen moeten aangeven of er dieren op staan. Het is een beetje een instinker. Er zit een als bij vermomde vlieg tussen, en ook een bloem die eigenlijk een insect is. Het is de bidsprinkhaan, die dankzij de vermomming als bloem op een blad kan zitten wachten tot er een nietsvermoedend beestje langsloopt die hij op kan smikkelen. Hoe zo'n insect kan gaan lijken op een plant, is een van de vragen die Breeuwer met zijn onderzoek probeert te beantwoorden.
Tijd voor het eerste proefje, hoe zie je er zelf eigenlijk uit? Iedereen vult het in op een formulier. Ben je een jongen of een meisje en heb je blauwe, groene of bruine ogen? Heb je losse oorlelletjes - Breeuwer laat zien dat die van hem niet los zitten - kun je je tong opkrullen of niet? Kun je je duim heel ver naar achter buigen? ‘Ik kan het allebei!' roept een jongetje enthousiast. 'Kijk ik kan helemaal tot zo ver!' roept een ander jongetje terwijl hij zijn duim in een onmogelijke hoek naar achter buigt. Iedereen moet staan en er volgt een afvalrace: bruine ogen moeten zitten, oorlellozen moeten zitten, steilharigen moeten zitten en ook de mensen zonder flexibele duim moeten zitten. Er staan nog vier kinderen, twee jongens en twee meisjes. Dan moeten ook de jongens zitten. Van de zestig kinderen zijn er nog maar twee meisjes over, ze lijken eigenlijk helemaal niet op elkaar, maar toch hebben ze blijkbaar veel met elkaar gemeen. ‘Doe je armen eens over elkaar', vraagt Breeuwer, en alsof het is afgesproken doen ze het allebei precies andersom; de ene houdt haar linkerarm boven, de ander haar rechterarm. Dus hoewel mensen op elkaar lijken zijn we toch allemaal anders. ‘Dat is dankzij dit molecuul', zegt Breeuwer terwijl hij een groot model van een DNA-molecuul vasthoudt.
Mensen zijn niet alleen van de buitenkant verschillend, ook van binnen zijn we allemaal anders. Dit gaan we bewijzen met een proefje. Iedereen krijgt een papiertje met vier strookjes. De kinderen proeven het eerste strookje, het smaakt eigenlijk naar niks. Dit klopt want dit is het controlestrookje! Het tweede strookje vindt bijna iedereen heel vies, er zit een bittere smaak aan, de smaak van spruitjes. De spruitjesplant doet dat expres, vertelt Breeuwer, insecten houden ook niet van de bittere smaak en blijven er van af. Slechts een paar kinderen proeven geen verschil met het controlestrookje. Het derde strookje smaakt ook vies, maar gelukkig, het laatste strookje smaakt volgens veel kinderen weer prima, een beetje zoetzuur. Iedereen krijgt een pepermuntje. En hoewel iedereen het pepermuntje lekker vindt, is het idee van het experiment duidelijk: smaak is dus ook iets wat niet voor iedereen hetzelfde is. Toch lijken sommige mensen meer op elkaar dan anderen. Bijvoorbeeld de mensen van dezelfde familie. Breeuwer laat twee jongens opstaan, één is zijn zoon. Wie zou het zijn? Iedereen weet meteen dat het de langere jongen is. Hij is net als zijn vader lang, heeft bruin haar en een beetje hetzelfde gezicht. Én geen oorlelletjes!' roept een kindje dat wel heel goed oplet.
Hans Breeuwer legt uit dat je genen kunt vergelijken met de hoofdstukken van een boek.
We zijn verschillend, maar ook hetzelfde. Alle mensen worden namelijk op dezelfde manier in elkaar gezet. Een mens is opgebouwd uit cellen, daarin zitten kernen. In de celkern zit DNA, de afkorting van Deoxyribo Nucleic Acid. Breeuwer pakt het DNA-model er weer bij, het lijkt nog het meest op een wenteltrap. Hij legt uit dat het DNA een boek is - net als het boekje dat je bij je lego krijgt om bijvoorbeeld een auto te maken - waarmee je mensen en dieren in elkaar kan zetten. Het boek is opgedeeld in hoofdstukken, de genen. Dit zijn de bouwafdelingen. Als voorbeeld neemt Breeuwer het boek van hoe je de vlieg maakt. In het ene hoofdstuk staat hoe je een poot maakt, in het andere een vleugel. Wetenschappers hebben dat ontdekt door de plek van de genen te veranderen - het verwisselen van hoofdstukken dus eigenlijk - waardoor ze een vlieg kregen met een pootje op zijn kop in plaats van een voelspriet, of een vlieg met vier vleugels in plaats van twee.
Welke eigenschappen heeft snoepiemonster junior als je kijkt naar de kenmerken van de vader en moeder?
Maar waar komt jouw eigen bouwplan vandaan? Van je ouders; ze geven je allebei een kopie van hun eigen boek. Dus als in het hoofdstuk van je vader staat: blauwe ogen, en ook in dat van je moeder, dan krijg je blauwe ogen. En als ze allebei bruine ogen hebben krijg je bruine ogen. Maar als de een bruin en de ander blauw zegt kan er maar ééntje winnen. En dat gaan we natuurlijk uitproberen! Eindelijk worden de zakjes snoep uitgedeeld die iedereen al lang gezien had. We gaan snoepiemonsters maken. Iedereen krijgt twee strookjes papier, één van mama en één van papa waarmee de kinderen het bouwplan.voor spoepiemonster junior kunnen maken. Deze bestaat uit vijf delen, er zijn dus ook vijf hoofdstukken: lichaamslengte, pootkleur, aantal ogen, neuskleur en staartvorm.
Afhankelijk van de combinatie van eigenschappen die je van je vader en moeder snoepiemonster erft, volgen de kenmerken van je eigen monster. Iedereen gaat druk aan de slag om hun eigen beestje precies volgens het boekje te maken. Na een tijdje knutselen, houdt iedereen trots zijn snoepiemonster omhoog. ‘En nu mag je het voorzichtig mee naar huis nemen', zegt Breeuwer. ‘Of opeten natuurlijk!'
Bron: Wakker Worden Kinderlezingen
|