Gepubliceerd op 24 januari 2012
Tekst: Jantine van Tinteren Fotografie: Antje Fierens
Dieren zien er allemaal verschillend uit. Maar waarom hebben sommige dieren haren en andere dieren juist schubben? Bioloog Astrid Groot van de Universiteit van Amsterdam weet alles van de ‘recepten’ van de dieren en legt het uit tijdens de Wakker Worden Kinderlezing in Nemo.
Astrid Groot begint de lezing door de vraag om te draaien: zou een kameel schubben kunnen hebben en een vis haar? Ze laat een gek plaatje zien van een harige vis en een kameel met een vissenhuid. Alle kinderen zeggen keihard nee! Het zou namelijk onhandig zijn voor de dieren. Maar hoe komen dieren aan hun verschillende eigenschappen?
Alle kinderen mogen nu zelf een dier ontwerpen. De kinderen moeten goed nadenken. Krijgen de dieren haren als bescherming of zijn ze giftig?
Groot bekijkt de leefomgeving van de dieren. Een kameel leeft in de woestijn. Daar is de kameel goed op aangepast: in de bulten zit vet, waar de kameel op teert als hij geen voedsel kan vinden. Hij kan wel 100 liter water in één keer drinken, handig in zo’n droge omgeving. Een kameel heeft haar om overdag de zonnestralen tegen te houden. ‘s Nachts – als het koud is in de woestijn – houdt het haar de warmte vast.
De leefomgeving van de vis is water: nat en koud. ‘Schubben zijn nodig om goed te kunnen zwemmen’, zegt een kind. ‘Klopt’, zegt Groot. ‘En de gladheid van de schubben is ook goed tegen rovers.’ Maar schubben kunnen ook voorkomen in de woestijn, denk maar aan slangen en hagedissen. En haren kunnen ook voorkomen in het water, denk maar aan otters en bevers. Er zijn dus heel veel verschillende aanpassingen mogelijk.
Alle kinderen mogen nu zelf een dier ontwerpen. De kinderen moeten goed nadenken. Krijgen de dieren haren als bescherming of zijn ze giftig? Hebben ze een lange snavel of een bek met scherpe tanden? Na een paar minuten zijn de creaties klaar. Groot ziet veel goed aangepaste dieren.
Kleuren zijn ook een vorm van aanpassing bij dieren. ‘Sommige dieren hebben camouflage’, weet een meisje. Groot geeft een voorbeeld van lichte en donkere vlinders. Ze laat een foto zien van een donkere boomstam met donkere vlinders erop en een lichte boomstam met lichte vlinders erop. De vlinders zijn haast niet te zien en ze zijn dus ook bijna onzichtbaar voor roofdieren.
Bij veel vogelsoorten speelt kleur een andere rol. Vooral de mannetjes doen ontzettend hun best om op te vallen. ‘Voor de vrouwtjes’, zegt een jongen. Pauwen vallen met hun verentooi inderdaad op om een vrouwtje te versieren en kinderen te krijgen.
Ook de mens heeft zijn kleur aangepast aan de omgeving. Rond de evenaar zijn de mensen het donkerst. Daar moet de huid bescherming bieden tegen de zon. In het noorden schijnt de zon nauwelijks en hebben de mensen een lichte huid: om zonlicht beter op te vangen voor de opname van vitamine D.
Mensen en dieren krijgen deze eigenschappen mee van hun vader en moeder. Een jongen in de zaal lijkt veel op zijn vader. ‘Ik heb zwart-wit foto’s gezien van mijn vader en hij ziet er precies uit zoals ik!’, zegt hij. Hij heeft alleen de bruine ogen van zijn moeder. ‘Dus je bent een mix’, zegt Groot. Soms maakt de natuur een foutje, zoals een albino of een man met ontzettend veel haar. Dat zijn eigenschappen die juist niet handig zijn.
Astrid Groot laat een uitvergroot stuk DNA zien. DNA zit in elke cel van je lichaam.
De aanpassingen van mensen en dieren aan hun omgeving, wordt evolutie genoemd. Niet veel kinderen in de zaal kennen dit moeilijke woord. ‘Evolutie is een mooi woord voor veranderingen in de tijd. Wie overleeft? En wie krijgt de meeste nakomelingen?’, legt Groot uit. Misschien worden harige mannen in Siberië wel aantrekkelijk gevonden, lekker warm. De harige mannen geven hun eigenschappen door, waardoor er steeds meer harige mannen komen in Siberië.
Hoe worden de eigenschappen dan doorgegeven? Groot laat een uitvergroot stuk DNA zien. DNA zit in elke cel van je lichaam. Een cel is een klein deeltje, waarin alle informatie is opgeslagen om te kunnen leven. DNA is een lange streng, die bestaat uit vier stofjes met de letters A, T, G en C. ‘Dit is het alfabet van het leven, deze vier letters zit in alles wat leeft.’ De strengen bestaan uit genen: dat zijn delen van het recept om leven te maken. Een gen kan bestaan uit maar liefst 5000 letters.
Er is een gen voor de kleur van je haar, een gen dat bepaalt of je poten of vinnen krijgt en een gen dat ervoor zorgt of je een mond of een snavel krijgt. Elk beest heeft zo zijn eigen recept. ‘Maar het gen dat zegt welke kleur haar je krijgt, is bij muizen, paarden en mensen hetzelfde. Er is slechts één letter verschil: heb je TG, dan krijg je rood haar, heb je de letters TA, dan is je haar wit.’
Met deze wetenschap kan worden teruggekeken in de evolutie. Mammoeten bestaan al lang niet meer, maar cellen zijn nog wel te vinden. Er is slechts één cel nodig voor het recept van de mammoet. ‘Op die manier zijn we erachter gekomen dat sommige mammoeten bruin waren en anderen wit. En dat is eigenlijk heel logisch, want mammoeten leefden op…?’ ‘Sneeuwvlaktes!’, schreeuwt een jongetje. En dieren die op sneeuwvlaktes wonen, zijn vaak wit.
Ze steken allemaal tegelijk een papiertje in de mond en… ieuw! Veel kinderen proeven iets ontzettend bitters.
Verschil in smaak ligt ook opgeslagen in je DNA. Om dat aan te tonen, mogen de kinderen een smaakproef doen. Ze steken allemaal tegelijk een papiertje in de mond en… ieuw! Veel kinderen proeven iets ontzettend bitters op het papiertje. Groot vertelt dat ze iedereen precies hetzelfde papiertje heeft gegeven, maar dat sommige kinderen het bittere goedje niet proefden. ‘Dat komt door een gen op je tong. Als je het niet proeft, dan heb je daar een C-tje staan, proef je het wel, dan heb je een T-tje.’ Het bittere goedje komt voor in kool en spruitjes.
Dieren veranderen nog steeds. Zo leeft de rotsduif prima tussen de hoge gebouwen van de stad. En de torenvalk jaagt net zo lief op muisjes in gras tussen de snelwegen. ‘Als de omgeving verandert, veranderen de dieren mee.’
Misschien dat er over een paar miljoen jaar wel een kameel met schubben is, bijvoorbeeld als delen van de woestijn onder water zouden komen te staan.
Bron: Wakker Worden kinderlezingen
|