Gepubliceerd op 21 april 2009

Verslag 'Wat is een virus?'

door viroloog dr. Hans Zaaijers

Zelf aan de slag tijdens de lezing

Tekst: Edda Heinsman
Fotografie: Hanne NIjhuis
 

Hans Zaaijer, arts in het Academisch Medisch Centrum (AMC) en onderzoeker bij de bloedtransfusiedienst, vindt virussen het leukste onderwerp binnen zijn onderzoek. Daar vertelt hij dan ook graag over tijdens deze Wakker Worden kinderlezing met als titel ‘Wat is een virus?'. 

'Computervirus', roept iemand meteen als Zaaijer naar bekende virussen vraagt. Het noemen van mensenvirussen blijkt lastiger. Verder dan verkoudheid en griep komen de kinderen niet. Maar er zijn natuurlijk ook hiv, polio, rode hond en waterpokken, de bof en ga zo maar door. Bijna alle kinderen hebben wel eens het diarreevirus gehad. En verkouden zijn ze ook wel eens, één kind naar eigen zeggen zelfs de hele winter.  

Hoe ziet een virus eruit?

Monsters

Maar wat is een virus nu eigenlijk, in welke categorie past het? De kinderen noemen soorten die op aarde leven: zeedieren, roofdieren, planten, insecten, zoogdieren, landdieren, amfibieën, monsters. 'En gewervelden en ongewervelden, dat is met of zonder botten', weet een jongetje. Leven is dus op te delen in allerlei soorten. Maar waar valt het virus onder? Zaaijer legt vier keuzes voor: een plant, een beestje, een schimmel en een bacterie. Iedereen kiest voor de bacterie. Maar het blijkt een strikvraag. 'Een virus', zegt Zaaijer, 'is een virus.' 

Een virus is zo iets raars dat het een eigen soort is. Zaaijer laat een foto zien van een HIV virus: een enorme bol met allemaal uitsteeksels. ‘Zo groot!' roept een kind uit het publiek verschrikt. Maar dat valt gelukkig mee, het virus is enorm uitvergroot. In het echt is een rijtje van tien virussen ongeveer één duizendste van een millimeter. 

Een virus heeft een kristalvormig jasje met binnenin het genetisch materiaal.

Zaaijer toont nog meer afbeeldingen van virussen, de vormen zijn waarheidsgetrouw maar de kleur is een artistieke vrijheid van de wetenschapper. ‘Heeft een virus normaal geen kleur dan?', wil een kind uit het publiek weten. ‘We denken gewoon grijs, maar helemaal zeker zijn we daar niet van', zegt Zaaijer, 'Virussen zijn zo klein, dat we niet kunnen zien welke kleur ze hebben. Net als bij losse atomen, daar kennen we ook de kleur niet van..'  

Niet alle virussen zien er uit als een bolletje, zoals we net op het scherm zagen. Er zijn ook staafjes. Zaaijer toont een afbeelding van een staafvormig virus: een plantenvirus dat bladeren een gele verkleuring geeft. Ook zijn er speciale bacterievirussen. Die zien er uit als ruimtescheepjes of spinnetjes die zich met hun pootjes op een bacterie vastklemmen. 

Zaaijer houdt een plastic zak omhoog. Om uit te leggen hoe een virus werkt heeft hij een model gemaakt. Virussen hebben vaak aan de buitenkant een heel dun velletje, de plastic zak. Daarin zit een tweede jasje, een mooie kristalvorm. En als ook dat jasje uitgaat tovert Zaaijer een meetlint tevoorschijn. In het echt is dat de erfelijke informatie, DNA of RNA, een heel lang molecuul waarin alle informatie opgeslagen zit over hoe een mens, dier, plant óf virus gemaakt moet worden.

Wat zijn de verschillen en overeenkomsten tussen een hond en een virus?

Poepend virus?

Om meer te weten te komen over de virussen gaan de kinderen op onderzoek uit. Leeft een virus eigenlijk? Daarvoor moeten de kinderen eerst bedenken wat leven betekent. Ze krijgen allemaal een werkblad, waarop een virus wordt vergeleken met een hond. Kan een virus net als een hond groeien? Kan het zich voortplanten? Kan het reageren op veranderingen, zoals een hond die gaat hijgen als het warm is. Kan een virus zich bewegen? Kan het eten of stoffen veranderen, zoals een hond voedsel kan omzetten in nieuwe spiercellen? En kan een virus net als een hond poepen? 

Moeilijke vragen, de kinderen zijn er druk mee bezig. Iemand denkt dat een virus wel kan groeien, en zich dan net als een bacterie kan opdelen in twee delen. Maar dat is niet zo. Zaaijer legt uit dat er geen dikke virussen bestaan, en ze dus niet kunnen groeien. Ze kunnen ook niet reageren op hun omgeving, niet eten, niet ademen, geen stof veranderen, en niet poepen. ‘Ik heb nog nooit een virusdrol gevonden', lacht Zaaijer. Maar wat kunnen ze dan wel? Virussen kunnen zich voortplanten. Als ze dat niet konden was het makkelijker geweest om je ertegen te beschermen. 'Maar als ze niks kunnen, niet eten of bewegen, hoe kunnen ze zich dan voorplanten?' vraagt een oplettend kind. Een virus is een parasiet, legt Zaaijer uit, hij lift mee op levende cellen.

Demonstratie hoe een virus zich verspreidt

Hoe doet een virus dat? Virussen hebben een soort handjes, voelertjes. Als ze toevallig in de buurt van een cel komen, voelen ze daarmee of het de goede cel is. De cel denkt een lekker hapje tegen te komen en eet het virus op. Maar de cel is gefopt; eenmaal binnen gaat het erfelijk materiaal van het virus aan de slag. Het vertelt aan de cel dat die het virus moet reproduceren. En de cel zorgt er vervolgens voor dat er heel veel kopietjes van het virus komen. Als de cel klaar is, is hij zo moe dat hij kapot gaat. De nieuwe virusjes komen dan vrij en gaan zelf ook op zoek naar een nieuwe cel om zich te reproduceren. 'Doet een virus dat ziekmaken expres?', wil een kind weten. 'Nee, maar ze kunnen nu eenmaal niets anders.'

Dan vraagt Zaaijer een jongetje uit het publiek om hem te assisteren bij een demonstratie om te laten zien hoe virussen er dan voor zorgen dat andere personen ook besmet worden. Het publiek telt tot drie en dan moet het jongetje hard niesen. De eerste keer gaat het mis, maar de tweede keer schiet Zaaijer een confettikanon af op het moment dat het jongetje niest. Het publiek op de middelste tribune zit onder de snippers. Zo gaat het ook in het echt. Zaaijer toont een foto van een niesende man, je ziet snot alle kanten op vliegen. Zo komt het snot overal terecht en met een beetje pech raak je zelf ook besmet. 'En er is nog een manier waarop je je omgeving volsmeert met virus', zegt Zaaijer. 'Diarree is heel besmettelijk...' Gelukkig heeft hij daar geen proefje voor.

Bron: Wakker Worden kinderlezingen