Gepubliceerd op 17 december 2007
Tekst: Edda Heinsman Fotografie: Hanne Nijhuis Midas Dekkers begint zijn lezing met uitleggen wat hij doet als bioloog: hij doet onderzoek naar de meest uiteenlopende dieren, van olifanten tot de kleinste beestjes in je buik. Maar het allerleukst is volgens hem toch wel om te onderzoeken hoe je eigen lichaam werkt. Maar hoe doe je dat? De dokter kijkt in je keel, maar dat is volgens Dekkers niet de manier. Dat is hetzelfde als dat de man van de garage in de uitlaat van de auto kijkt en probeert te ontdekken waarom de motor niet loopt. Je moet juist kijken naar wat er allemaal uit je lichaam komt. En welke dingen zijn dat denken de kinderen? "Snot!", roept een jongetje, "Plas!", roept een ander. De kinderen bedenken ook nog poep, zweet, overgeefsel en oorsmeer. "Maar het allerleukste om te onderzoeken is toch wel windjes", voegt Dekkers toe.
Een windje onderzoeken is natuurlijk niet makkelijk. Je kunt hem immers niet zien. Gelukkig kun je hem wel horen. Dat komt omdat de lucht door een heel klein gaatje geperst wordt. Net als bij een opgeblazen ballon die je leeg laat lopen. Een jongetje mag een scheetgeluid komen maken met een ballon. Daarna mag een meisje het proberen, "want meisjes", zo zegt Dekkers, "zijn veel beter in het laten van windjes." Maar hoe vang je nu een windje? Als je een aap wilt onderzoeken, moet je hem vastpakken om hem goed te kunnen bestuderen. Dat moet je dus ook doen met je scheet. Alleen heeft een plastic zakje voor je billen houden volgens Dekkers niet zo veel zin.
Hij heeft een aquarium meegenomen met daarin een slangetje met lucht. Een paar kinderen mogen proberen de kunstmatige scheetjes op te vangen in een lege pot. Het is best moeilijk maar uiteindelijk lukt het een van de kinderen. Hij dompelt de pot onder, vult hem met water en draait hem dan ondersteboven zodat de pot voor een deel boven het water uitsteekt. Nu vangt hij een scheet op, de lucht van de scheet neemt ruimte in in de pot en duwt het water weg. Snel draait hij de dop er op en voila, één gevangen scheet! Daarna begint je onderzoek pas echt: je plakt een sticker op het potje met je naam, de datum en wat je hebt gegeten. En aangezien je op een dag wel vijf tot tien winden laat, kun je op één dag een hele liter vangen. En als je bruine bonen hebt gegeten, wel vijf liter!
Je hebt twee soorten windjes: A en B. A-windjes stinken niet. Deze windjes zijn eigenlijk omgekeerde boertjes. Ingeademde lucht komt soms in je verkeerde keelgat terecht, en dat los je op door te boeren. Maar soms lukt het niet om te boeren. Dan raakt de lucht de weg kwijt en moet het je hele lichaam door om er helemaal aan de andere kant uit te komen als windje. Dat duurt wel een half uur! B-windjes zijn een heel ander verhaal. Deze windjes zijn eigenlijk een verzameling van alle windjes, die de bacteriën in je darmen laten tijdens de vertering van het voedsel. En dat stinkt! Zoals iedereen weet, hangt de stank af van wat je hebt gegeten. Om dat aan te tonen laat Dekkers potjes rondgaan met Coli-bacteriën, waarvan die in het ene potje vlees (eiwit) hebben gegeten en die in het andere potje suiker. En inderdaad kun je het verschil ruiken. Volgens Dekkers is het zo dat hoe viezer het eten, hoe viezer de scheetjes. En wat is nu het vieste eten? Spruitjes!
"Ik moest vroeger spruitjes eten, dat vond ik heel vies, en daarom wilde ik onderzoeker worden zodat ik kon bewijzen dat spruitjes niet goed voor je zijn", zegt Dekkers. "Als je nu goed oplet, hoef je nooit meer spruitjes te eten." Het wordt doodstil in de zaal. Dekkers legt uit dat er een heel gevaarlijke stof in spruitjes zit, die wel een beetje iets wegheeft van het mosterdgas dat in de oorlog werd gebruikt. Hij heeft een zilveren vork in een bakje kokende spruitjes gezet. De vork wordt een beetje zwart. "Dat komt door de zwavelverbinding die vrij komt. Als je ouders je nu nog spruitjes durven geven, dan moet je de kindertelefoon maar bellen."
Om te laten zien wat er in je lichaam gebeurt bij het ontstaan van een windje, heeft Dekkers gist meegebracht. Gist lijkt op poeder, maar bestaat eigenlijk uit allemaal kleine beestjes. De bakker doet gist in je brood. "Daar wordt het brood groter van, want dan komt er lucht in", weet iemand in het publiek. Dit klopt bijna, het zijn namelijk geen luchtbellen die je brood zo luchtig maken, het zijn windjes van die kleine beestjes! "Getsie, ik eet nooit meer brood!", roept een jongetje uit het publiek. Iedereen krijgt een bakje met warm water en moet daar een beetje gist bij doen. Vervolgens zet je er een ballon op en na een poos wachten, blaast de ballon zich een langzaamaan een klein beetje op. Zo zie je dat het gist echt windjes laat. Inmiddels is het behoorlijk muf geworden in de zaal, met die gekookte spruitjes en ontsnapte gistwindjes. Gelukkig is het ook hoog tijd om met zijn allen naar buiten te gaan naar de rondvaartboten. Nu we alles weten over windjes, is het hoog tijd om naar Artis te gaan voor het onderzoeken van poep...
Bron: Wakker Worden Kinderlezingen
|