Gepubliceerd op 27 september 2005
Uit: Het Parool, 26 september 2005, door Margriet van der Heijden
Kunnen robots straks ook voetballen? Een klein robothondje zat al te wachten in de Da Vincizaal. Want daar begon gisteren de eerste Wakker Worden-kinderdoelezing van het seizoen, georganiseerd door NEMO en de Universiteit van Amsterdam in samenwerking met Het Parool. En die ging dit keer over robots.
Kan een robot een mens worden? Dat was gisteren voor ongeveer veertig kinderen de vraag. En een mens is wel even wat anders dan een sloom robothondje dat zijn kop schudt. Maar robotexpert Peter van Lith van de Universiteit van Amsterdam draaide de vraag eerst nog even om. Zou een mens een robot kunnen worden? En is het wel leuk om een robot te zijn?
Niet echt, zo bleek. Geen van de kinderen wilde een robot worden. Wat niet vreemd is, als je alleen al weet dat robot het Tsjechische woord is voor "werker'. En werken is het enige wat robots mogen én kunnen. Ze eten niet, ze slapen niet, ze rennen niet, ze vervelen zich niet en ze lezen nooit een boek. Robots kunnen maar één ding. In de fabriek zetten ze dagen, maanden en jaren achter elkaar feilloos autoportieren in een carrosserie. Ze breien telkens opnieuw lappen in de hun opgedragen kleuren en maten. Ze stofzuigen op elk gewenst moment. En sommige robots brengen zelfs eten rond in het verpleegtehuis - zonder getreuzel en zonder een praatje. Maar meer dan wat hen is opgedragen, doen ze niet. Wat bioscoopfilms er soms ook van maken: robots kunnen nooit meer dan wat mensen kunnen. Integendeel: robots kunnen bar weinig.
"Kunnen robots nadenken?" vroeg Van Lith. En hij vertelde dat om die vraag te beantwoorden mensen eerst hard zijn gaan nadenken over nadenken. En dat ze toen bedachten dat schaken iets is waarbij je veel moet nadenken. En dat schaken ook iets is wat een robot nooit zou kunnen. Totdat de eerste computer ging schaken. Toen bedachten die mensen dat een schaakcomputer nooit zou kunnen winnen. Totdat de eerste schaakcomputer toernooien wonnen en daarna zelf s de allergrootste schaakgrootmeesters versloegen. Toen bedachten de mensen dat schaken geen goed voorbeeld was en kozen ze iets anders: voetbal.
"Voetballen is heel simpel," zei Johan Cruijff ooit, "maar het moeilijkste wat er is, is simpel voetballen." En dat bleek meteen toen Van Lith gisteren twee voetbalrobots op een klein speelveld aan het werk zette. Een van de twee deed helemaal niks. De ander had de grootste moeite de bal te vinden, laat staan om er tegenaan te trappen. Want alles waarover wij niet eens nadenken, wat voor ons vanzelf spreekt, is voor robots waanzinnig moeilijk. Waar is de bal? Waar is het veld? Waar zijn de spelers? Hoe snel moet ik bewegen? Of hoe til ik mijn 'been' op?
Filmpjes van Robocp-wedstrij-den lieten nog meer gestuntel van robots zien. Keepers die naar de bal doken (ofwel: als een strijkplank opzij vielen) nadat het doelpunt al lang en breed was gemaakt. Keepers die, kennelijk in opperste verwarring, helemaal niet meer opstonden. Voetballers die naast de bal trapten. Spelers die middenin de wedstrijd stilvielen: batterij op, sorry.
Johan Cruijff is een van de weinige mensen die al lang had doorgrond wat er bij voetbal allemaal komt kijken, vertelde Van Lith. En daarmee is Cruijff een fantastische computerprogrammeur, want zijn op het gehoor zo simpele regels worden vaak rechtstreeks in software omgezet. "Om te scoren moetje eerst de bal hebben." Of: "Je moet schieten, anders kun je niet scoren." Of: "Als wij de bal hebben, kunnen zij niet scoren."
In 2050 moet ee robotteam in staat zijn om een mensenteam te verslaan met voetbal. Daarnaar streven tenminste de robotexperts. En zij werken dus hard aan robots die goed kunnen kijken, kunnen interpreteren, actie kunnen ondernemen en die nog soepel kunnen bewegen ook. "Gaat dat lukken?" vroeg Van Lith. De meeste kinderen dachten van wel. Voor hen is een halve eeuw misschien ook wel een eeuwigheid. Maar de ouders, die achter hen zaten, geloofden er niks van.
Bron: Afdeling communicatie FNWI
|