Juist daarom is het belangrijk zo rustig en voorzichtig mogelijk te werk te gaan, aldus Van Beek. Want dan is de kans het grootst dat je aan de hand van die raadselachtige resten kunt reconstrueren hoe een gebouw, een haven of een stad er ooit uit heeft gezien. En dat je kunt achterhalen hoe mensen leefden, wat ze aten en dronken.
Daarom moet je bijvoorbeeld bijhouden in welk type zand of grond de vondst ligt en op welke diepte. Hoe dieper in de bodem, hoe ouder, zo geldt immers in het algemeen. En als je op rotsen stuit, weet je zeker dat er niks ouders meer is te vinden, voegde Van Beek nog toe.
Maar ook muntjes, aardewerk of andere goed te dateren voorwerpen, vertellen iets over de ouderdom van de muren en pilaren in hun nabijheid. En over de mensen die er ooit langs liepen of woonden.
In vogelvlucht is zo’n verleden te zien in de zijwanden van de sleuven die archeologen op hun vindplaatsen graven. ‘Profiel’ noemen ze zo’n wand waarin de op elkaar gestapelde lagen zand en stof zijn blootgelegd - de voorwerpen er nog in.
Vaak zijn ze wel een dag bezig om daar een schematisch overzicht van te maken, vertelde Van Beek. Heel precies leggen ze op schaal de lagen vast en met cirkeltjes geven ze aan waar zich voorwerpen bevinden.
Dat is belangrijk, aldus Van Beek, want wie opgraaft veegt niet alleen zand en stof weg, maar maakt ook structuren kapot. ‘Een profiel wordt nooit meer wat het was - je kunt het maar één keer in kaart brengen en bestuderen.’