Gepubliceerd op 26 maart 2007

Verslag 'Hoe klinkt een taal?'

door spraakwetenschapper David Weenink

David Weenink laat een video-opname zien van de zangeres Miriam Makeba.

Tekst: Edda Heinsman
Fotografie: Hanne Nijhuis

De klok is een uur teruggezet, misschien is dat de reden dat op deze vroege maar zonnige zondagmorgen iets minder kinderen dan gewoonlijk de kinderlezing ‘hoe klinkt een taal?’ bijwonen.

Iedereen kent het alfabet, dat bestaat uit 26 letters waarmee je elk woord kunt maken. Zo bestaan er ook verschillende klanken. De Nederlandse taal heeft er ongeveer veertig. Onze oren zijn goed getraind voor die klanken, wij horen het verschil wel tussen ‘pek’ en ‘bek’. Maar voor mensen die een andere taal spreken is dat helemaal niet zo makkelijk.

Als voorbeeld laat de spreker van vandaag, spraakwetenschapper David Weenink, een videoclip zien van Miriam Makeba. Dit is een Afrikaanse zangeres, van wie veel mensen misschien denken dat ze maar wat rare geluiden zit te maken maar het is haar eigen taal! Ze spreekt namelijk Xhosa, een taal met klikjes, die voor ons heel apart klinkt. Hoor jij dat ze hier kikker (ixoxo), adamsappel (uqhoqhoqho) en ei (iquanda) zegt? (scroll rechts over de woorden om ze te horen)

Een andere taal die gebruik maakt van klanken is het Mandarijn Chinees. Een jongetje vraagt wat Mandarijn Chinees eigenlijk is. Weenink legt uit dat dit de moedertaal van ongeveer 800 miljoen mensen in China is. ‘Ma’ heeft in deze taal maar liefst vier verschillende betekenissen door het op verschillende tonen uit te spreken! Zo betekent het moeder, hennep  (wat Weenink beschrijft als een gewas), paard en uitschelden . Weenink lacht: ‘Ma ma betekent dus: je moeder is een paard!’

Ingewikkeld die verschillende uitspraken? Vergis je niet: de melodie of de toonhoogte van een woord is ook in Nederland belangrijk. Zegt Weeninks Limburgse vrouw bijvoorbeeld konijn, of konijnen als ze het over ‘knien’ heeft? ‘Knien’ met een omhooglopende toon betekent konijn, en ‘knien’ met een dalende toon staat voor meerdere konijnen. Maar je moet als je geen Limburgs kent, wel heel goed luisteren wil je het verschil horen.

Het trillen van de stembanden kun je vergelijken met het leeglopen van een ballon.

Te:kənlεs

De letter ‘d’ klinkt heel anders in het woord ‘dag’ dan in het woord ‘pad’. En de e’s in ‘tekenles’ klinken allemaal anders. Daar hebben de taalwetenschappers iets op bedacht: een speciaal alfabet waarin de klanken van een taal zijn opgeschreven, zodat iedereen weet hoe hij het uit moet spreken: het International Phonetic Alphabet (IPA). En ‘tekenles’ schrijf je daarin als ‘te:kənlεs’. Zo staat het ook in het woordenboek.

Maar hoe maak je eigenlijk al die verschillende klanken? Dit doe je met je spraakorganen, en vooral je stembanden zijn heel belangrijk. Bij kinderen zijn de stembanden nog kort, daarom klinken hun stemmen hoger dan die van volwassenen. Weenink blaast op het kortste pijpje van een panfluit en je hoort een hoog fluitje. Het langste pijpje geeft - net als de volwassen stem - een veel lager geluid.

Welk accent heeft de computerstem?

Ook de longen behoren tot je spreekorganen. Om dit te illustreren krijgen alle kinderen in het publiek een ballon. Nog voor Weenink heeft kunnen uitleggen wat de bedoeling is, heeft iedereen zijn ballon al opgeblazen en laat hem met veel gepiep leeglopen. ‘Als je je longen, of in dit geval je ballon, leeg laat lopen en er genoeg spanning op de stembanden staat, gaan ze vanzelf trillen’, roept Weenink boven het lawaai uit. Maar of iedereen dat nog meekrijgt boven alle herrie, is maar de vraag.

Hoe harder je de stembanden aantrekt hoe hoger de toon. De vorm van je mond en de plek waar je je tong houdt bepalen vervolgens de klank. Weenink oefent verschillende klanken met het publiek. Zeg maar eens ‘ie’, en maak dan van je lippen een rondje. Dan merk je dat de klank vanzelf verandert in ‘uu’.

Spraakherkenning

Ondanks het fonetische alfabet klinkt een woord bij iedereen net weer anders. Niemand heeft precies dezelfde stem. Of je een kind bent of een volwassene, een man of een vrouw en waar je vandaan komt klinkt allemaal vaak ook door in je stem. Weenink heeft een raadsel voor het publiek. Hij laat de computer met drie verschillende stemmen een zin uitspreken. ‘Dag jongens en meisjes, ik ben een computerstem.’  De kinderen moeten vervolgens een Nederlands, Duits of Frans vlaggetje ophouden als ze weten wat voor accent de computerstem heeft.

En hoewel het nog best lastig is, heeft iedereen het goed! Mensen zijn heel goed in het onderscheiden van accenten. Maar voor een computer maken die kleine verschilletjes in intonatie het herkennen van de spraak heel erg lastig. Bovendien klink je als je in een kerk staat te praten heel anders dan wanneer je door de telefoon praat. En hoe weet een computer of je een woord zegt of dat je gewoon maar aan het hoesten bent?

Op het beeldscherm staat ‘JanzeiPietgajemeenaarhuis’. ‘Wat staat daar?’ vraagt Weenink. Een kind geeft het antwoord: ‘Jan, zei Piet, ga je mee naar huis?’. Weenink reageert ‘Goh, ik dacht dat er stond: ‘Jan zei: Piet ga je mee naar huis?’ Dat zijn dus twee heel verschillende betekenissen, en dat verschil begrijpt een computer niet.’

‘En wat als je een supercomputer hebt?’ vraagt een jongetje uit het publiek. ‘Zelfs voor een supercomputer is het ongelooflijk moeilijk om spraak te herkennen’, zegt Weenink. ‘Maar het gaat wel al steeds beter.’ En om zijn woorden kracht bij te zetten laat Weenink nog een leuk staaltje computerspraakverandering horen; zijn eigen stem verandert tot die van een jongen, ‘Dag kinderen, bedankt voor jullie aandacht en tot ziens!'

Verwijzingen

Foto's lezing
Bron: Wakker Worden Kinderlezingen