Gepubliceerd op 25 april 2006
Uit: Het Parool, 24 april 2006, door Margriet van der Heijden
Alle dieren hebben trucs om te overleven
Leven, aanpassen en overleven. Daarover ging gisteren de vierde Wakker Worden-kinderdoelezing van het seizoen, georganiseerd door NEMO en de Universiteit van Amsterdam in samenwerking met Het Parool. Over de survival of the fittestvan Darwin, dus.
Waarom heeft een kameel geen schubben en een vis geen haar? Om die vraag met de kinderen te beantwoorden, was gisteren de Leidse evolutiebioloog Bas Zwaan naar het Amsterdamse NEMO getogen. En hij begon met de vraag wat er zo speciaal is aan leven.
De kinderen hadden daar wel ideeën over. "Datje in je leven leuke dingen kan doen. Dat er zoveel verschillende levende wezens zijn. Dat die allemaal moeten eten," opperden ze.
Maar dat waren geen zaken waar Zwaan naar toe wilde. Wat hij vandaag duidelijk wilde maken, is dat het bijzonder is dat leven blijft bestaan. Dat het steeds weer wordt doorgegeven van ouders op kinderen, ook al verandert de omgeving in een ijskoude vlakte of een kurk-droge woestijn.
In de bergen vind je gemzen, marmotten en vlinders, om maar wat te noemen. Op de polen vind je pinguïns of ijsberen en 'springstaarten', kleine insecten die je in Nederland in de achtertuin kunt vinden. In de woestijn vind je schorpioenen, ratelslangen en kamelen. En in de dampende, hete poelen bij geisers kun je levende bacteriën en schimmels tegenkomen.
Al die dieren hebben trucs om te overleven. Ze hebben zich aangepast aan hun omgeving. En als je daarover nadenkt, is dat heel bijzonder, vond Zwaan. Biologen, vertelde hij, gaan uit van twee soorten aanpassing. Er zijn aanpassingen aan de dode natuur, zoals een vacht tegen de kou of kieuwen om zuurstof uit water te halen.
En er zijn aanpassingen aan de levende natuur. Die zie je bijvoorbeeld heel goed bij bidsprinkhanen die de vorm en de kleur hebben aangenomen van de bloemen waartussen zij vertoeven. Zo lopen ze niet in het oog en worden ze niet zo snel door een of andere vogel opgevroten.
Om een idee van zulke aanpassingen te krijgen, mochten de kinderen op papier zelf een dier ontwerpen dat zou kunnen overleven in de woestijn, onder de grond of in de diepzee. Een dier met lange haren of een schild. Met zachte voeten of scherpe klauwen. Met een goed gehoor of met arendsogen. Met een lange snavel of een bek vol tanden.
In het echt, vertelde Zwaan, duurt het natuurlijk veel langer eer een diersoort ontstaat, dan de tien minuten die de kinderen nodig hadden om 'een onderwaterhond' te ontwerpen of 'een barbapapa-mol'. Er kunnen tientallen, honderden of duizenden jaren overheen gaan.
Dat levende wezens zich überhaupt aan hun omgeving kunnen aanpassen, komt doordat er tussen individuen altijd verschillen bestaan, ging Zwaan verder. Neem vlindertjes met bruine vleugeltjes waarop gele vlekjes zitten. Sommige vleugeltjes zullen dieperbruin zijn dan anderen, en op sommige vleugeltjes zitten meer vlekjes dan op andere.
Kleine verschillen, die soms grote gevolgen hebben. Want de vlindertjes die het minst opvallen tegen de bruine rots waarop zij leven, overleven het langst en krijgen de meeste kinderen. En als die 'fitste' vlinders, de vlinders die het best zijn aangepast aan hun omgeving, weinig gele vlekjes hebben, dan hebben hun kinderen meestal ook weinig gele vlekjes. Zodat na een aantal generaties op die plek uitsluitend vlinders met weinig vlekjes over zijn.
Dat betekent niet, benadrukte Zwaan, dat die vlinders dan ook 'de best aangepaste' vlinders zijn die je had kunnen bedenken. Misschien, zei hij, zijn sommige van de dieren die jullie hebben ontworpen wel veel beter aangepast. Op papier is immers meer mogelijk dan in de natuur, die maar moet roeien met de riemen die zij heeft.
Het betekent ook niet, zei hij, dat de wereld vol zit met succcesverha-len van goed aangepaste overle-vers. Want van alle veertig miljard soorten die ooit op aarde geleefd hebben, zijn er maar ongeveer veertig miljoen over. Anders gezegd: 99,9 procent van de soorten die ooit bestaan hebben, heeft al lang weer het loodje gelegd. Eigenlijk, zo sloot Zwaan af met een moraal, moeten we dus extra zuinig zijn op die soorten die nog over zijn.
Bron: Wakker Worden Kinderlezingen
|