Gepubliceerd op 1 maart 2005

Verslag kinderlezing 'Wat leeft er in de diepste oceaan?'

dr. Annelies Pierrot-Bults

Uit: Het Parool, 28 febuari 2005, door Margriet van der Heijden

Echt spannend klinkt het waarschijnlijk niet in kinderoren: werken in het Zoölogisch Museum. Het is toch een beetje een stoffig oord, met al die eindeloze rijen skeletten en potten vol beestjes op sterk water. En als je dan in dat museum ook nog eens verantwoordelijk bent voor het plankton, maakt dat de zaak er niet spannender op.

Toch hingen de ruim veertig kinderen in Nemo aan de lippen van bioloog en plankton-deskundige dr. Annelies Pierrot-Bults. Vooral toen zij vertelde over de expeditie met een Noors schip van IJsland naar de Azoren. Op een groot scherm schoten plaatjes voorbij van de tweepersoons hut waarin de onderzoekers sliepen, van het werk aan dek en van de grof- en fijnmazige netten waarmee ze allerlei groot en klein grut uit de zee ophaalden.

Er was zelfs een klein, knalgeel onderzeeërtje aan boord dat, radiografisch bestuurd, op dieptes van vier kilometer of meer kon rondspeuren naar leven. De videocamera’s van het ding legden trouwens niet erg veel leven vast, vertelde Pierrot-Bults. Want in die uitgestrekte, donkere diepzee is het leven schaars. Slechts een fractie van  alle interessante wezens die er rondzwemmen duikt dus in het schijnsel van de kleine koplampen op.

Als je gekleurde ijsklontjes aan één kant in een bak water doet kun je zien dat koud water naar beneden zakt. Zodra de klontjes smelten zie je de blauwe kleur langszaam naar de bodem zakken.

Dat er zo weinig leven is op grote dieptes heeft natuurlijk te maken met de ombarmhartige leefomstandigheden: hoge druk, lage temperatuur en geen spoortje licht. En haast geen voedsel bovendien.

De voedselketen begint immers met planten, legde Pierrot-Bults uit. Alleen planten kunnen zouten omzetten in de organische stoffen die de bouwstenen zijn van alle andere levende wezens. Maar planten hebben daar wel licht bij nodig. En licht dringt in de zee slechts tot op zo’n tweehonderd meter diepte door.

Alleen in die bovenste waterlaag, de ‘lichtzone’, vind je dus planten. En daarnaast natuurlijk allerlei diertjes die van die planten leven, en andere diertjes die weer van die diertjes leven.

Wat leeft er op welke diepte van de oceaan? Kinderen prikken de verschillende zeedieren op de juiste plek op het bord.

Camouflage is in die strijd om het bestaan erg handig. Om niet op te vallen zijn veel organismen in de lichtzone doorzichtig, liet Pierrot-Bults zien. Plaatjes van glasheldere zakpijpen, vleugelslakken, borstelwormen en inktvisjes schoten over het scherm voorbij.

Iets dieper in de oceaan, tot ongeveer een kilometer, dringt slechts een klein restje blauw licht door. De bewoners van deze ‘schemerzone’ leven van het afval uit hogere lagen. De heersende schutkleur is er rozerood, want voor de bewoners zelf is die kleur nagenoeg onzichtbaar.

In de daaronder gelegen nachtzone, tot vier kilometer diepte, zijn de organismen voornamelijk zwart en vaak hebben ze bizarre vormen. Er leven daar bijvoorbeeld vissen met een rij lichtgevende vlekjes op hun buik, om een partner mee te lokken. En natuurlijk liet Pierrot-Bults een plaatje zien van de hengelvis, bekend uit Finding Nemo, die tijdens het jagen de zee een beetje bijlicht met het bungelden lantaarntje aan zijn kop. Al was  het opgeviste exemplaar wel een stuk kleiner dan de hengelvis uit de film - slechts zo’n vijftien centimeter in doorsnee.

Zo ziet plankton er dus uit!

Een paar kinderen mochten met een pincet nog wat plukken aan zakpijpen en kwalletjes uit de potten met conserveermiddelen. En daarna mochten er kaarten met afbeeldingen van erwtenkreeftjes, bijlvissen, dolktandvissen, pijlwormen en wat al niet worden vastgeprikt op een grote plaat van de verschillende oceaanzones.

Pierrot-Bult eindgde met een oproep voor meer onderzoek naar de diepzee. “Want daarover weten we misschien nog minder dan over planeten als Mars.”

Verwijzingen

Foto's lezing
Bron: Afdeling communicatie FNWI