Gepubliceerd op 20 maart 2006
Uit: Het Parool, 13 maart 2006 Door: Margriet van der Heijden
Kun je bacteriën eten? Daarover ging gisteren de derde Wakker Worden-kinderdoelezing. Anders gezegd: zijn bacteriën goed voor je of juist slecht?
Bacteriën zijn slecht voor je. Dat vonden bijna alle zeventig kinderen in de filmzaal van Nemo. Maar één jongetje aarzelde. Je kunt niet zeggen dat bacteriën goed zijn of slecht, vond hij. “Want soms zijn ze goed en soms zijn ze slecht.” En ja, dat vonden de anderen bij nader inzien eigenlijk ook.
Nu ze er toch over nadachten, vonden ze het helemaal geen goede vraag: kun je bacteriën eten? Want al zijn sommige bacteriën slecht voor je, dan kun je ze nog wel eten. Dat is alleen een beetje dom. Maar ja, bacteriën eet je ook niet expres. Je kunt ze immers niet proeven, en je kunt ze ook niet zien. “Er is niemand die zegt: ha lekker, een bacterie.”
Toch krijgen mensen ongemerkt heel wat minuscule bacteriën binnen. Dat kan niet anders, want het wemelt ervan, zo liet de Amsterdamse moleculair bioloog Gertien Smits zien. Niet alleen in de grond, het water of in etensresten, maar ook in en op mensen zelf.
Puistjes bijvoorbeeld, die de meeste kinderen rond hun twaalfde krijgen, bestaan bijna helemaal uit bacteriën. En dat geldt ook voor krentenbaard, dat zich als je pech hebt als een troep vervelende roodgele korstjes over je kin verspreidt. En poep natuurlijk. Dat bestaat voor de helft uit bacteriën.
Die komen uit de dikke darm, vertelde Smits, waar een enorme verzameling ‘goede’ bacteriën voortdurend in de weer is om etensresten af te breken. Samen wegen die bacteriën wel een kilo. Als je ze allemaal bij elkaar zou proppen, dan zou je zoiets krijgen als de rubberachtige, zelfgemaakte cylinders, die Smits vervolgens liet rondgaan. “Vies idee,” vonden de kinderen.
Bijna net zo vies vonden ze de bakjes met bacteriën van eigen kweek die rondgingen. In tenenkaas en snot zitten vrij veel bacteriën, zo bleek. En plas is juist bijna steriel - er zitten amper bacillen in.
Ook in huis vind je overal bacteriën. Niet op de wc-bril, ook al zou je dat misschien denken. Een wc-bril is voor bacteriën te droog en als de bril geregeld wordt schoongemaakt is er ook geen voedsel te vinden. Een nat keukendoekje met voedselresten: dat is wel een paradijs voor bacteriën. Net zoals het aanrecht dat met dat doekje wordt afgeveegd.
Toch hoef je niet zo bang te zijn, dat je ziek wordt als je zulke bacteriën binnenkrijgt, aldus Smits. In kleine beetjes kunnen ze meestal geen kwaad en zullen ze je niet ‘aanvreten’. Bovendien biedt de enorme bacteriemassa in de dikke darm bescherming. De darmbacteriën willen geen ruimte afstaan aan andere bacteriën, en omdat ze met zoveel zijn, winnen zij vrijwel altijd.
Die strijd tussen verschillende bacteriesoorten, vind je bijna overal. Dat komt doordat bacteriën maar één levensdoel hebben. Ze willen zichzelf in twee nieuwe bacteriën delen, en die nieuwe bacteriën weer laten delen en daarmee doorgaan tot er zoveel mogelijk bacteriën van hun eigen soort zijn.
Om daarin te slagen moeten ze natuurlijk zuinig zijn met hun voedselvoorraad, en vooral geen eten afstaan. Want als de voorraad op is, leggen ze zelf ook het loodje. Bacteriën kunnen zichzelf namelijk niet of hooguit kleine eindjes verplaatsen. Jagen en verzamelen is er dus niet bij.
Daarom, vertelde Smits, gebruiken bacteriën listen om andere bacteriesoorten snel om zeep te helpen. De bacteriën die melk in yoghurt omzetten bijvoorbeeld, zorgen expres voor die zure smaak: andere bacteriesoorten overleven dat zuur niet.
De mooiste truc, vond Smits, heeft gist. Dat is geen bacterie, maar lijkt er wel een beetje op: net als bacteriën bestaan gistcellen uit één minuscule cel. Hun truc is dat ze alle suikers in hun omgeving opeten en er alcohol van maken - en dat stofje doodt alle bacteriën in de buurt. Daarom kun je alcohol gebruiken om te ontsmetten. En daarom dronken in de middeleeuwen zelfs kinderen bier: in die tijd van viezigheid was dat het veiligste en schoonste drinkwater.
Bron: Wakker Worden Kinderlezingen
|