Gepubliceerd op 22 maart 2005

Verslag kinderlezing 'Hoe ontstaat een orkaan?'

Dr. John van Boxel over wind, stormen, orkanen en tyfonen

Uit: Het Parool, 21 maart 2005, door Margriet van der Heijden

Hoe ontstaat een orkaan? Daarover ging gisterochtend de derde Wakker Worden-kinderdoelezing van het jaar, georganiseerd door Nemo en de Universiteit van Amsterdam, in samenwerking met Het Parool.

Buiten was het bijna bladstil. Aan de rookpluim van de Hemcentrale in de verte was te zien dat de wind uit het oosten kwam. En bij het Oosterdok woei het wat harder dan tussen de huizen. Maar de windsnelheid was toch niet hoger dan vijf tot twaalf kilometer per uur, de snelheid van een wandelaar of jogger.
Binnen, in de Da Vincizaal van Nemo, hielden ongeveer zestig kinderen zich bezig met windsnelheden van een heel andere orde: die van een orkaan. Onder leiding van UvA-klimatoloog John van Boxel probeerden zij te begrijpen hoe een orkaan ontstaat. En wat je je bij een orkaan moet voorstellen.

Dr. John van Boxel demonstreert de windmeter.

Dat valt nog niet mee als je uit onze weliswaar winderige, maar ook heel gematigde contreien komt. Wij kennen windkracht twee (windsnelheid tussen de vijf en twaalf kilometer per uur) die de boombladeren laat ritselen, windkracht zes (twintig tot dertig kilometer per uur) die je paraplu om laat klappen en windkracht acht (zestig tot vijfenzeventig kilometer per uur) die takken breekt. Maar zware stormen (windkracht tien en windsnelheden rond de honderd kilometer per uur) en zeer zware stormen (windkracht elf en windsnelheden tot honderdtwintig kilometer per uur) zijn bij ons bijzondere gebeurtenissen.
Dat is in de tropen heel anders: wat bij ons een zeer zware storm heet, is daar een lichte orkaan. Bij een catastrofale orkaan kunnen zelfs windsnelheden groter dan 250 kilometer per uur optreden.

Toch is het meestal niet de wind zelf die de grootste schade aanricht, vertelde Van Boxel. Het zijn de meereizende slagregens die bruggen en wegen vernielen en modderstromen in gang zetten. En die regen heeft alles te maken met de manier waarop orkanen ontstaan.
Orkanen ontstaan boven de tropische delen van de oceanen, waar het zeewater 27 graden of meer is. De warme lucht die boven het wateroppervlak omhoog stijgt, zit vol waterdamp. En als die waterdamp in hogere luchtlagen tot kleine druppeltjes condenseert en wolken vormt, komt er een heleboel warmte vrij, die de lucht nog sneller te laten stijgen. Met als gevolg dat er steeds meer lucht van beneden wordt aangezogen, en het daar steeds harder gaat waaien.

Met een slinger kun je zien hoe de middelpuntvliedende kracht werkt.

De draaiing van de aarde zorgt ervoor dat die wind spiraalsgewijs naar het hart van de orkaan beweegt – tegen de klok in op het noordelijk halfrond en met de klok mee in het zuiden. En hoe dichter de lucht naar het hart wordt gezogen, hoe groter de windsnelheden. Net zoals een schaatser steeds snellere pirouettes draait, wanneer bij zijn armen en benen intrekt en zich klein maakt.
Niet dat een orkaan klein is trouwens – een beetje orkaan heeft een doorsnee van vijfhonderd kilometer. En dan zit in het midden nog een ‘oog’, een gebiedje zo groot als Amsterdam, waar het helemaal niet waait en waar zich ook geen wolken vormen. Dat gebiedje ontstaat, zo legde Van Boxel uit, doordat bij een ronddraaiende beweging ook altijd sprake is van een naar buiten gerichte kracht. Ofwel: de draaiende lucht blijft rond de buitenkant van het ‘oog’ bewegen zoals kleding in een centrifuge tegen de wanden plakt.
De kinderen hadden nog veel meer vragen. Waarom orkanen bewegen? Een lastige vraag. Hoe lang ze standhouden? Vijf tot zeven dagen. Waarom ze aan land snel afzwakken? Omdat het landoppervlak ruw is en de windsnelheid afremt. En waarom ze jongens- en meisjesnamen krijgen? Omdat dat beter klinkt dan nummertjes.

En voor wie zich dat altijd afvroeg: ook cyclonen en tyfonen zijn orkanen. Cyclonen zijn orkanen die boven de Indische Oceaan ontstaan en tyfonen worden gevormd boven de Stille Oceaan. Maar verder, zei Van Boxel, gaat het om hetzelfde ding.

Verwijzingen

Foto's lezing
Bron: afdeling communicatie FNWI