Gepubliceerd op 1 februari 2005
Uit: Het Parool, 31 januari 2005, door Margriet van der Heijden
HET WAS EEN beetje een andere lezing dan anders, gisteren in Nemo. Dit keer stond er geen Amsterdamse professor voor de zaal om een prangende vraag te beantwoorden. In plaats daarvan legde de directeur van Nemo, Rob van Hattum, van alles uit over de water-stofauto En dat hing weer samen met de documentaire die hij eerder hierover maakte, en met de nieuwe 'waterstoftentoonstelling' in Nemo: H2, de blauwe brandstof. Sommige kinderen hadden die tentoonstelling al bezocht, zo leek het. "Waterstof is het hoofdbestanddeel van water, want elk waterdeeltje bestaat voor twee delen uit waterstof en voor een deel uit zuurstof,"zo vatte een achtjarig jongetje aan het begin van de lezing het meteen maar even samen.
Rob van Hattum demonstreert hoe een stoomtrein werkt.
Dat je op waterstof auto's kunt laten rijden, wekte bij de meeste van de ruim veertig kinderen ook al geen verbazing. Maar voordat Van Hattum dat onderwerp aansneed, beschreef hij eerst alternatieve manieren van voortbewegen. Je kunt de spierkracht van mensen of paarden gebruiken om een kar voort te duwen of een koets te trekken. Je kunt jezelf op een speciaal vervoermiddel verplaatsen met trapbewegingen - fietsen, dus. Maar dat gaat langzaam en je wordt er nog moe van ook. Voor lange afstanden of zware transporten was ooit de stoommachine een uitkomst. De kracht van stoom die, opgesloten in een vat, tegen een klep aandrukt, kan een heel systeem van raderen en wielen in beweging zetten. Het kleine stoom-locomotiefje van Van Hattum illustreerde het.
Maar voor auto's is deze vorm van aandrijving niet geschikt: er zijn grote voorraden hout of kolen nodig om water tot stoom te verhitten. En het water moet voortdurend worden aangevuld. Niet voor niets rijden we dus tegenwoordig in auto's met de explosiemotor van Nikolaus Otto. Een vonk bij wat benzine leidt daarin tot een gecontroleerde explosie die vervolgens de druk oplevert, waarmee de motor wordt aangedreven.
Het ontstaan van waterstof- en zuurstofbelletjes als je stroom door zout water laat lopen.
Ongeveer 750 miljoen van zulke auto's rijden er inmiddels op de aardbol rond. Als ze allemaal in een lange file zouden staan, zou de rij ruim drie keer van de aarde tot de maan reiken en weer terug. En over twintig jaar is die file waarschijnlijk alweer twee keer zo lang. Maar raken benzine (en diesel en lpg) niet op? Wordt het niet smerig op aarde door al het roet dat bij het verbranden van benzine en diesel vrijkomt? Verandert misschien zelfs het klimaat door de kooldioxide die daarbij ook wordt gemaakt?
En daar kwam de waterstofauto op het toneel. Na wat gepruts met een batterijtje, een bakje zout water en draadjes, konden de kinderen zelf zien hoe belletjes gaan opstijgen als je energie in water stopt. Waterstof-belletjes aan de ene kant en zuur-stofbelletjes aan de andere kant. De grap van de waterstofmotor is dat je die energie terug krijgt als je de waterstof en zuurstof weer bij elkaar brengt. Met die energie stuw je vervolgens de auto voort, terwijl de bij elkaar gebrachte waterstof en zuurstof als schone waterdamp de uitlaat uitstromen. Bus 35, naar de Molenwijk, werkt via dit principe.
Een eenvoudige waterstofmotor.
Welke haken en ogen er zitten aan een wijder verbreid gebruik van waterstof liet Van Hattum wijselijk in het midden. Hij stipte slechts aan dat je schone energie moet gebruiken om waterstof te maken - 'anders ben je even ver van huis'. En hij merkte op dat waterstofgas explosief is, wat het tanken en vervoeren ervan erg ingewikkeld maakt. Maar goed, er was al ontzettend veel verteld. Of de kinderen alles hadden begrepen van explosiemotoren of 'de verbranding van waterstof'? De boodschap dat waterstof-auto's een goed en schoon alternatief voor onze automobielen kunnen bieden, was wel blijven hangen. "Alhoewel," opperde een jongetje tot slot. "Kun je niet gewoon uitlaatgassen recyclen?"
Bron: Afdeling communicatie
|