Uit: Het Parool, 26 januari 2004, door Margriet van der Heijden
Hebben jullie je ooit afgevraagd waarom de lucht blauw is?, vroeg Blandine Jérôme, natuurkundige aan de UvA. En ja, kinderen die naar een lezing als deze komen, hebben daar weleens over nagedacht. Maar Jérôme zelf deed dat als kind niet, vertelde ze. ''Pas toen ik al groot was, hoorde ik op een college waarom de lucht blauw is. Toen vroeg ik me natuurlijk wel af, waarom ik dat altijd zo vanzelfsprekend had gevonden.''
Jérôme nam de kinderen eerst mee naar een van de grote ramen van Nemo om met eigen ogen nog eens naar de - helderblauwe - lucht te kijken. ''Want onze ogen zijn vanochtend onze meetapparaten.''
De kinderen constateerden dat we de lucht zien omdat er licht vandaan komt. Licht van de zon is dat eigenlijk. Maar ook als de zon in het oosten aan de hemel staat is de lucht in het westen lichtblauw.
In de verduisterde Da-Vincizaal bleek aan de hand van proefjes hoe dat eigenlijk zit. Het licht uit de zon wil, net als het licht uit een diaprojector, alsmaar rechtdoor. Het licht uit een diaprojector zouden wij dan ook niet zien, als we er geen projectiescherm voor zouden zetten dat het licht weerkaatst. Pas als het licht wordt gereflecteerd in de richting van onze ogen, zien wij het.
Het projectiescherm weerkaatst het licht ordelijk. Een dia van een gracht, oogt op het scherm - en trouwens ook op het witte shirt van een jongetje in de lichtbundel - als een gracht.
Maar als je nou een bordenwisser uitklopt zodat wit poeder zich in de lichtbundel verspreidt, zo liet Jérôme zien, dan blijft er van het beeld van de gracht niets over. Het dansende poeder stuurt het licht kriskras in alle richtingen. Wat onze ogen bereikt is alleen maar een wit schijnsel.
Dat kriskras wegsturen van licht heet verstrooiing en dat gebeurt ook in de lucht, vertelde Jérôme. De (stof)deeltjes daarin sturen het zonlicht kriskras naar de aarde.
Maar dat gaf nog geen antwoord op de tweede waarneming die de kinderen voor het raam hadden gedaan: dat het witte licht uit de zon, ergens onderweg, blauw wordt.
Het heeft er natuurlijk mee te maken dat wit licht uit allerlei kleuren bestaat. Hoe meer van die kleuren je mengt, hoe witter en lichter het resultaat - in tegenstelling tot bij het mengen van verf bijvoorbeeld, dat immers steeds donkerder kleuren oplevert.
Met een groot formaat prisma scheidde Jérôme de kleuren licht - en liet zien dat iedere kleur zich een beetje anders gedraagt, onderweg door lucht of water.
Zo ook bij verstrooiing. Rood licht reist rechtdoor - het wordt in de lucht haast niet verstrooid. Geel licht wordt een beetje verstrooid, groen licht wat meer, en blauw licht het allermeest. Dat blauwe licht bereikt dus het vaakst onze ogen - en daarom is de lucht blauw.
Of toch niet? Paars licht wordt vaker verstrooid dan blauw licht, merkte een oplettend jongetje op. En hij had gelijk. Alleen zijn onze ogen voor die kleur licht niet erg gevoelig. Konden wij net als bijen wel paars licht zien, dan zag de wereld er heel anders uit. Met witroze koeien op een groenblauwe weide onder een paarse hemel, zo liet Jérôme zien. Bijna net zo gek als de geelwitte koeien op het geelgroene gras onder de vuilgele hemel die de onze zou zijn als onze ogen geen blauw licht zagen.
De volgende lezing, op 22 februari, gaat over computers.